Het hier in de 16e/17e eeuw dominante geslacht van de ridders van Obentraut – een tak van de beroemde Duitse ruitergeneraal die uit Heddesheim aan de Nahe komt – beschikte in Großwinternheim over een totaal bezit van ongeveer 60 morgen land (15,3 hectare), inclusief een molenbedrijf aan de Selz (“Eulenmühle”).

Alleen het in het dorp gelegen perceel omvatte, van de opvallend hooggelegen tuin van huis nr. 3 tot aan het “Vrije Plein” en achteraan grenzend aan het nog goed bewaarde gedeelte van de verdedigingmuur van de noordelijke “Effengracht”, een oppervlakte van ongeveer 8 morgen. In het renaissancebouwcomplex gaat de voormalige tiendeschuur op. Een elegante golvende gevel en een krachtig versierde, dubbele toegang kenmerken het hoofdgebouw.

Niet minder landelijk toont het onroerend goed op de hoek van de Obentrautstraat/Vrije Plein zich met een traptoren gekroond door een Welsche kap. Boven de grote poortinrit aan de zijkant van de hoog opgetrokken trapgevel bevestigen wapens en sluitsteen – H.M.V.O. 1609 – de gegevens van zijn vrijadelige eigenaar. Het rechter woongebouw van de binnenplaats siert een door de leeftijd getekend zandstenen portaal in de weelderige stijl van de Toscaanse renaissance.

Tot de definitieve aflossing door de keurpfalzische autoriteit stonden de Obentrauts aan het dorpsbestuur voor en hadden zo onder andere een vaste zetel in het gerecht van Ingelheimer Grund, de zogenaamde Oberhof.

Obentrautsche Hofanlagen